Rasstandaard Poil Long

volgens de Fédération Cynologique Internationale (FCI)
Standaard FCI no. 138/ 02.04.2001/
Nederlands
Land van herkomst: Frankrijk
Publicatiedatum van geldige originele standaard: 26-03-2009

Gebruik: Herdershond, in gebruik op boerderijen en op de Pyreneese weiden.
Groepsindeling FCI:
Groep 1: Herders- en veedrijvershonden (uitgezonderd Berghonden en zwitserse veedrijvershonden.)
Sectie 1: Herdershonden – met werkproef.

Twee variëteiten

De Pyreneese Herdershond kent twee variëteiten namelijk de ‘Poil Long’ ofwel ‘langhaar’ en de ‘Face Rase’.
Op deze pagina wordt de rasstandaard van de ‘Poil Long’ beschreven.
De rasstandaard van de ‘Face Rase’ is vermeld op een aparte pagina, omdat deze rasstandaard kenmerken heeft, die afwijken van de ‘Poil Long’.

Kort historisch overzicht

Het ras is van nederige komaf en was tot het begin van de twintigste eeuw nauwelijks bekend in de officiële kynologie. De verschijningsvormen die in de diverse dalen van de Pyreneeën voorkomen, lopen behoorlijk uiteen: de grootte en de vacht kunnen erg verschillen, maar in karakter en gedrag bestaat geen verschil. Tussen 1921 en 1925 werd door Dhr. Bernard Sénac-Lagrange de eerste officiële standaard samengesteld.
Deze standaard werd veranderd, eerst onder zijn voorzitterschap, daarna onder de voorzitterschappen van Dhr. Charles Duconte (1954-1986), van Dhr. Guy Jean Mansencal (1986-2000) en van Dhr. Alain Pécoult (2000), sinds 2001 in nauwe samenwerking met Dhr. Raymond Triquet.

Algemeen voorkomen

Een hond, die bij een minimum aan hoogte en gewicht blijk geeft van een maximale spanning. Door zijn uiterlijk van voortdurende waakzaamheid, zijn slimheid en wantrouwen, in combinatie met zijn levendige manier van bewegen, is de hond zo karakteristiek, dat hij niet met andere honden te vergelijken is.

Belangrijke lichaamsverhoudingen

De schedel is ongeveer even lang als breed. De snuit is korter dan de schedel, de verhouding is voorsnuit 2, schedel 3. De lichaamslengte is groter dan de schofthoogte. De afstand van de elleboog tot de bodem bedraagt meer dan de helft van de schofthoogte.

Gedrag | karakter

Het is een moedige kleine hond, zelfredzaam, in staat zelf intiatieven te nemen en volledig toegewijd aan zijn baas. Hij is eigenzinnig van aard en over het algemeen is een energieke aanpak nodig om zijn energie in goede banen te leiden en het beste uit zijn intelligentie en levendigheid te halen. Tegenover vreemden is hij vaak wantrouwend.

Hoofd

In zijn algemene vorm is het hoofd driehoekig.

Schedelgedeelte

De matig ontwikkelde schedel, vrijwel vlak met een lichte groef in het midden, gaat harmonieus afgerond in de zijkanten over en heeft een weinig geprononceerde achterhoofdsknobbel. Hij is vrijwel even lang als breed. Het voorste deel gaat zacht glooiend over in de snuit. Stop: De stop is nauwelijks zichtbaar (glijdend).

Aangezicht

De neus is zwart.
De snuit is recht, wat korter dan de schedel, wigvormig, maar het uiteinde mag niet spits zijn.
De lippen zijn niet erg dik; ze bedekken de onderkaak volkomen zonder dat de mond zichtbaar is. De randen van de lippen en het gehemelte zijn zwart of overwegend zwart getekend.
De kaken/het gebit
Het gebit moet compleet zijn. De hoektanden zijn sterk ontwikkeld. Boven- en ondergebit zijn scharend (de snijtanden boven bedekken de snijtanden onder doch blijven ermee in contact). Een tanggebit, waarbij de snijtanden boven op de snijtanden onder staan, is toegestaan.
De ogen zijn expressief, enigszins amandelvormig en hebben een donkerbruine kleur. Ze mogen noch uitpuilen noch te diep liggen. Glasogen zijn toegestaan bij honden met een blauwe vacht met zwart gemengd (harlekijn of leigrijs), waarvan ze bijna altijd een kenmerk zijn. De oogleden zijn zwart omrand, ongeacht de kleur van de vacht.
De oren moeten tamelijk kort zijn, matig breed bij de aanzet, ze mogen noch te dicht bij elkaar geplaatst zijn, bovenop de schedel, noch te wijd uiteen staan. Ze zijn driehoekig, dun en eindigen in een punt, vallend, vlak, zeer beweeglijk. Als de hond attent is, gezien van de voorkant, trekt de bovenste zijde van de oren enigszins de transversale lijn van de schedel door. Ze kunnen ook gedeeltelijk staan: in dat geval, moet hun onderste deel staan en beweeglijk zijn, ideaal zijn oren waarvan het bovenste deel voor een derde of de helft naar voren of opzij valt, op voor beide oren symmetrische wijze.
De hals is eerder lang, tamelijk gespierd, goed vrij van de schouders.

Lichaam

Het skelet is stevig, maar niet zwaar, de bespiering is droog.
De ruglijn heeft een goede gespannen bovenbelijning.
De schoft komt duidelijk uit.
De rug is tamelijk lang en stevig.
De lendenen zijn kort en licht gewelfd, dit lijkt des te meer zo, omdat de vacht van de hond op de achterhand en op het kruis vaak rijkelijker is.
Het kruis is eerder kort en ligt tamelijk schuin.
De borst is matig ontwikkeld, ze reikt tot de elleboog.
De ribben zijn licht gewelfd.
De flank reikt niet ver omlaag.
De staart is niet erg lang, eerder laag aangezet en vormt een haak aan het uiteinde, de staart is goed bevederd. Als de hond attent is, mag de staart in het algemeen nauwelijks boven de ruglijn uitkomen, deze kan echter in een krul naarvoren komen. In landen waar couperen door de wet niet verboden is, zijn sommige exemplaren gecoupeerd. Rudimentaire staart is toegestaan.

Voorste ledematen

Ze zijn recht, droog, krachtig en goed bevederd.
De schouder is tamelijk lang en ligt middelmatig schuin.
De opperarm ligt schuin en heeft een gemiddelde lengte.
De onderarm is recht.
Het polsgewricht is duidelijk geprononceerd.
De middenhandsbeentjes zijn licht schuin geplaatst, en profil gezien.
De voet is droog, tamelijk vlak, met een duidelijk ovale vorm. De zooltjes zijn donker. De nagels, klein en hard, zijn bedekt door de vacht, die men ook aantreft onder de voet, tussen de voetkussentjes.

Achterste ledematen

De hoekingen zijn tamelijk gesloten. Honden met halflange vacht hebben ledematen zonder bevedering.
De dijen zijn niet heel lang en ligt matig schuin, goed gespierd, bevleesd.
De knieën zijn goed gehoekt, in de richting van de lichaamsas.
Het onderbeen is tamelijk lang en schuin geplaatst.
De sprong is droog, laag geplaatst, goed gehoekt. De sprongen zijn soms wat nauw.
De achtermiddenvoeten zijn verticaal geplaatst of iets schuin naar voren.
De achtervoeten zijn droog, tamelijk vlak, met een duidelijk ovale vorm.
De zooltjes zijn donker.
De nagels, klein en hard, zijn bedekt door de vacht, die men ook aantreft onder de voet, tussen de voetkussentjes.
Hubertusklauwen kunnen kunnen zich – al dan niet enkel of dubbel – aan de achterpoten bevinden.

Gangwerk

In stap heeft de Pyreneese herder een tamelijk ingehouden gang. De draf, die door de Pyreneese herder wordt verkozen, moet vrij en krachtig zijn. Bij de korte draf wordt het hoofd iets hoog gedragen; bij de langgestrekte draf ligt het hoofd in het verlengde van de ruglijn. De voeten worden nooit sterk opgeheven, de beweging is vloeiend, de hond scheert over de grond.

De huid

De huid is fijn, vaak gemarmerd met donkere vlekken, ongeacht de kleur van de vacht.

De vacht | Beharing

De lange of halflange, maar altijd rijkelijke beharing is vrijwel vlak of licht golvend, rijkelijker en wolliger op de kroep en op de dijen. De structuur houdt het midden tussen geitenhaar en schapenwol. De mengeling van droog haar en wollig haar veroorzaakt bij bepaalde honden strengetjes of koorden die ‘cadenettes’ genoemd worden, en soms platen of ‘matelotes’, die dakpansgewijs de kroep en de dijen bedekken. Men kan de ‘cadenettes’ zelfs op de borst aantreffen en op de voorste ledematen ter hoogte van de ellebogen. De snuit heeft een kortere en minder rijke beharing.
Aan het eind van de snuit, en soms op de hele snuit ligt het haar naar achteren, het is van voor naar achteren ingeplant. Aan de zijkanten, evenals op de wangen, is het haar langer en ziet het eruit alsof het ‘en coup de vent’ (door een windvlaag) van voren naar achteren is weggestreken. De ogen moeten goed zichtbaar zijn en mogen niet door de beharing bedekt worden.
Kleur
Meer of minder donker fauve met of zonder menging van zwarte haren en soms wat wit aan borst en poten; donker of lichter grijs, met vaak wat wit aan hoofd, borst en ledematen; blauw met zwart gemengd (harlekijn of leiblauw). Er komen ook gestroomde (bringé) en zwarte vachten voor, of zwarte vachten met witte aftekeningen (beperkte aftekeningen). Zuivere vachtkleuren hebben de voorkeur.

Grootte

Reuen: van 42 tot 48 cm. Teven: van 40 tot 46 cm. Voor exemplaren die van een uitmuntend type zijn wordt tot 2 cm. schouderhoogte meer of minder getolereerd.

Fouten

Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naar gelang de ernst ervan en naar gelang de gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van de hond.

Ernstige fouten

Zware hond, zonder levendigheid.
Hoofd
Spitsboogvormige schedel; gewelfd voorhoofd; een stop die te sterk gemarkeerd is; een stop die ontbreekt.
Snuit
Vierkant of rechthoekig; pigmentgebrek op de neus of de lippen.
Ogen
Te lichte ogen of ogen met een verwilderde blik. Pigmentgebrek op de oogleden.
Staart
In krul op of boven de lendenen gedragen ” eekhoorntjesstaart ” (over de rug horizontaal omgebogen), samengegroeide wervels.
Beharing
Te overvloedig op het hoofd, vooral als de ogen bedekt worden en als de beharing van de snuit er griffonachtig door wordt. Slechte structuur, te zachte vacht, draadharig, een vacht met krullen of gekroesd haar. Een vacht die niet dicht of dik genoeg is.
Kleur
Witte aftekeningen die meer dan 1/3 van de vacht beslaan.
Een harlekijnvacht waarbij het contrast tussen grijs en zwart ontbreekt of waarin zwemen van fauve te zien zijn. Een te verbleekte vacht.
Een zwarte vacht met rode aftekeningen aan hoofd en ledematen (zwart met fauve aftekeningen).
Diskwalificerende fouten
Gedrag
Agressief of bang.
Neus en oogleden
Van een andere kleur dan absoluut zwart.
Kaken
Ondervoorbijter of bovenvoorbijter; of alle misvormingen van de kaken. Afwezigheid van meer dan 2 tanden, PM1 tanden niet betrokken.
De aanwezigheid van de hoektanden en van de scheurkiezen verplicht.
Oren
Natuurlijke oren die staand gedragen worden.
Ogen
Glasogen bij alle honden die geen harlekijnvacht of leigrijze vacht hebben. Vlekken door pigmentgebrek op de oogleden. Lichte gele ogen.
Staart
Slappe staart die verticaal valt.
Beharing
Gekruld.
Kleur
Witte vacht of een kleur die niet in de standaard is aangegeven, aftekeningen die meer dan 1/3 van de vacht bij zwarte honden beslaan.
Grootte
Afmetingen die buiten de toegestane maten vallen.
Alle honden die duidelijk lichamelijke of gedragsmatige afwijkingen vertonen, zullen worden gediskwalificeerd.
N.B. Reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.